|
Een gedragsexperiment in negen stappen uit:
Ten Broeke, Van der Heiden, Meijer, Schurink (2003) Cognitieve therapie:
basisvaardigheden, CCD 1.
Formuleer de oorspronkelijke, vermoedelijk disfunctionele opvatting en bepaal
de geloofwaardigheid. 2.
Formuleer een realistisch en evenwichtig alternatief en bepaal de
geloofwaardigheid. 3.
Bedenk een passend gedragsexperiment. Beschrijf zo exact mogelijk hoe het
experiment er uitziet (bespreek vooraf eventuele te verwachten moeilijkheden
en stel de haalbaarheid van het experiment vast). 4.
Vraag: stel dat de oorspronkelijke opvatting waar is, hoe zal het experiment
dan verlopen? Geef een zo concreet mogelijke beschrijving van, onder andere
het eigen gedrag en/of het gedrag van anderen. 5.
Vraag: stel dat de alternatieve opvatting waar is, hoe zal het experiment dan
verlopen? Geef een zo concreet mogelijke beschrijving, van onder andere het
eigen gedrag en/of het gedrag van anderen. 6.
Voer het experiment uit volgens de afspraken. 7.
Beschrijf concreet hoe het experiment is verlopen (Wie deed wat? Wat gebeurde
er? Wat gebeurde er juist niet?). 8.
Welke conclusies kan ik trekken met betrekking tot de geloofwaardigheid van respectievelijk de oorspronkelijke en alternatieve,
realistische opvatting? 9.
Wat heb ik van het experiment geleerd en wat heb ik nog meer nodig om mijn
nieuwe opvatting geloofwaardiger te maken? 5.3.1
Toelichting In
deze opzet wordt altijd uitgegaan van een vooraf geformuleerde disfunctionele
opvatting en een realistisch alternatief. Soms is de betreffende opvatting dermate concreet dat het experiment als vanzelf is
gegeven: als ik vraag of Suzanne met me naar de film wil, dan zal ze me
uitlachen. Vaker gaat het om minder concrete opvattingen als: ik ben niet de
moeite waard, of globale voorspellingen zoals: als ik
me kwetsbaar opstel dan zal ik belachelijk worden gemaakt. Nadat er een
realistisch alternatief is geformuleerd (als ik vraag of Suzanne met me naar
de film wil, dan zal zij mijn vraag serieus nemen; ik ben de moeite waard;
als ik me kwetsbaar opstel dan wordt daar veelal waarderend op gereageerd),
is het van groot belang dat bij de selectie en voorbereiding van het
experiment wordt gekomen tot concretisering: wie, wat, wanneer en hoe. Het is
dus niet noodzakelijk om de opvatting te concretiseren. Dat gebeurt immers
bij het experiment en de voorspellingen op basis van het experiment. Bij
intermediaire opvattingen en kernopvattingen gaat het daarbij steeds om één
uit een reeks van verschillende mogelijkheden waarmee de cliënt de algemeen geformuleerde alternatieve opvattingen kan
testen. Wanneer het experiment goed is opgezet, worden voorspellingen gedaan
over het verloop en de uitkomst van het experiment zowel vanuit de
oorspronkelijke opvatting als vanuit het realistischer alternatief. Dit dient
opnieuw concreet te gebeuren, waarbij de gebruikte woorden en begrippen
afdoende zijn geconcretiseerd: hoe ziet dat er precies uit, belachelijk maken
en waaraan zou je merken dat je verzoek serieus wordt genomen? Door
zorgvuldig aandacht te besteden aan deze stappen wordt voorkomen dat er
discussie ontstaat na de uitvoering van het experiment, hetgeen
in feite de enige manier is waarop een gedragsexperiment binnen cognitieve
gedragstherapie kan mislukken. Bij
een goed opgezet experiment kan na afloop veelal vrij gemakkelijk consensus
worden bereikt over de resultaten en betekenis van het experiment. Overigens
verlaat de therapeut daarbij nooit de socratische aanpak. Mocht er toch
‘onenigheid’ blijven bestaan, dan wordt een nieuw en beter experiment
opgezet. Het verdient aanbeveling het in bijlage I opgenomen formulier
gedragsexperimenten aan de cliënt mee
te geven. Dit vergemakkelijkt het zelf oefenen met het opzetten en uitvoeren
van gedragsexperimenten. Daarbij komt dat het de registratie van de bedachte
experimenten en de nabespreking ervan in de therapiesessie ten goede komt. Om
de praktische waarde van dit hoofdstuk te verhogen zijn in paragraaf 5.4 een
aantal veelvoorkomende valkuilen bij het opzetten van gedragsexperimenten
opgenomen met daarbij een aantal suggesties om de moeilijkheden op te lossen.
Alvorens het gedragsexperiment op te zetten, maar zeker ook wanneer het niet
het beoogde resultaat oplevert,
is het de moeite waard dit overzicht er op na te slaan. Hieronder volgt een aantal
voorbeelden van gedragsexperimenten, respectievelijk op het niveau van
‘automatische negatieve gedachten’, intermediaire
opvattingen (een voorspellende conditionele opvatting) en kernopvattingen.
Zoals reeds genoemd zal het bij intermediaire- en
kernopvattingen altijd gaan om een serie gedragsexperimenten ter toetsing
van de desbetreffende opvatting. Bij het tweede en derde voorbeeld van een
gedragsexperiment met betrekking tot een automatische negatieve gedachte zal
overigens blijken dat ook dan een serie experimenten
noodzakelijk is. Dit heeft er mee te maken dat bij het eerste voorbeeld
sprake is van een specifieke voorspelling die slechts één keer kan en behoeft te worden getest. Bij de andere twee is dezelfde
automatische gedachte op verschillende momenten en op verschillende manier te
toetsen. 5.3.2
Drie voorbeelden van een gedragsexperiment op het niveau van automatische
negatieve gedachten Gevalsbeschrijving
1 Hans
is een wat onzekere maar overigens goed functionerende jonge man, die erg
verliefd is op Suzanne. Zijn verstand zegt dat Suzanne hem ook wel ziet
zitten en in de therapie – die overigens is gericht op het opbouwen van
zelfvertrouwen – kunnen daarvoor voldoende ‘bewijzen’
worden gevonden. Toch durft hij geen stappen te zetten. Hans zou Suzanne erg
graag mee uit vragen naar de film. Een aantal keren stond Hans op het punt de
vraag te stellen maar telkens kwam automatisch de negatieve gedachte: als ik
Suzanne vraag mee te gaan naar de film, dan zal ze me uitlachen, in hem op.
Het volgende gedragsexperiment wordt opgezet: T:
Formuleer de oorspronkelijke, vermoedelijk disfunctionele opvatting en bepaal
de geloofwaardigheid. C:
Als ik Suzanne vraag mee te gaan naar de film, dan zal ze me uitlachen.
Geloofwaardigheid: 75% T:
Formuleer een realistisch en evenwichtig alternatief en bepaal de
geloofwaardigheid. C:
Als ik Suzanne vraag mee te gaan naar de film, dan zal ze mijn vraag serieus
nemen. Geloofwaardigheid: 20% T:
Bedenk een passend gedragsexperiment. Beschrijf zo exact mogelijk hoe het
experiment er uitziet (bespreek vooraf eventuele te verwachten moeilijkheden
en stel de haalbaarheid ervan vast). De
eerstvolgende keer dat Hans een gesprek(je) heeft met Suzanne, zal hij haar
vragen om komend weekend mee te gaan naar de film. Hij zal zich van tevoren
op de hoogte stellen van welke films er draaien
zodat er een concrete afspraak kan worden gemaakt indien Suzanne toestemt.
Mocht Suzanne niet kunnen maar wel willen dan komt Hans met een alternatief
voorstel voor een datum. T:
Stel dat de oorspronkelijke opvatting waar is, hoe zal het experiment dan
verlopen? Geef een zo concreet mogelijke beschrijving, onder andere wat
betreft het eigen gedrag en/of het gedrag van anderen. C:
Dan zal Suzanne me nauwelijks laten uitpraten en me uitlachen en wie weet
zelfs smalende opmerkingen maken. Suzanne zal het gesprek beëindigen en
weglopen. T:
Stel dat de alternatieve opvatting waar is, hoe zal het experiment dan
verlopen? Geef een zo concreet mogelijke beschrijving, onder andere wat betreft
het eigen gedrag en/of het gedrag van anderen. C:
Dan zal Suzanne me laten uitpraten, rustig reageren en aangeven wat ze van de
vraag vindt. Ook als ze niet wil zal ze dat op een respectvolle wijze zeggen.
In ieder geval zal ze niet gaan (uit)lachen. Het
experiment wordt uitgevoerd volgens de afspraken. T:
Beschrijf concreet hoe het experiment is verlopen (Wie deed wat? Wat gebeurde
er? Wat gebeurde er juist niet?). C:
Suzanne reageerde enthousiast. Ze zei zelfs dat ze zich al
had afgevraagd wanneer ik nu eens een volgende stap zou gaan zetten. We
hebben een afspraak gemaakt om naar de film te gaan. T:
Welke conclusies kan ik trekken met betrekking tot de geloofwaardigheid van respectievelijk de oorspronkelijke en alternatieve,
realistische opvatting? C:
– Als ik Suzanne vraag mee te gaan naar de
film, dan zal ze me uitlachen. Geloofwaardigheid: 0%. –
Als ik Suzanne vraag mee te gaan naar de film, dan
zal ze mijn vraag serieus nemen. Geloofwaardigheid: 100%. T:
Wat heb je van het experiment geleerd en wat heb je nog meer nodig om jouw
nieuwe opvatting geloofwaardiger te maken? C:
Mijn angst dat Suzanne me zou uitlachen klopt gewoon niet, dat bleek wel. Het
is maar weer eens gebleken dat de enige manier is om er achter te komen of
mijn onzekerheden en angsten terecht zijn het ‘gewoon’ te doen
(al blijft dat veel makkelijker gezegd dan gedaan). Opmerking:
een fout die bij een eenvoudig gedragsexperiment als dit kan worden gemaakt
is bij de realistische gedachte te schrijven dat Suzanne moet toezeggen mee
te gaan naar de film. Het zou immers heel
goed kunnen zijn dat Suzanne respectvol weigert. Ook in dat geval zou de
disfunctionele gedachte moeten worden verworpen. Gevalsbeschrijving
2 Leo
is een 58-jarige man die al een tijdje hartkloppingen heeft. Medisch
onderzoek bracht geen problemen aan het licht maar niettemin heeft Leo
ernstige zorgen over de toestand van zijn hart. Hij durft
zich met name fysiek niet in te spannen uit angst dat zijn hart het begeeft.
De huisarts heeft hem behalve naar een gedragstherapeut ook verwezen naar een
zogenaamde ‘cardio-fysiotherapeut’. Het
volgende gedragsexperiment wordt opgezet: T:
Formuleer de oorspronkelijke, vermoedelijk disfunctionele opvatting en bepaal
de geloofwaardigheid. C:
Ik heb een slecht hart. Geloofwaardigheid: 85%. T:
Formuleer een realistisch en evenwichtig alternatief en bepaal de
geloofwaardigheid. C:
Mijn hart is in goede conditie. Geloofwaardigheid: 15%. T:
Bedenk een passend gedragsexperiment. Beschrijf zo exact mogelijk hoe het
experiment er uitziet (bespreek vooraf eventuele te verwachten moeilijkheden
en stel de haalbaarheid ervan vast). Bij
de cardio-fysiotherapeut gaat Leo op de hometrainer
zo hard fietsen als hij aandurft. In ieder geval zal hij zich zodanig
inspannen dat zijn hartslag zal toenemen. Dit experiment wordt vier keer
herhaald met een rustpauze van 5 minuten ertussen. Aangezien
Leo erg angstig is kan niet worden uitgesloten dat paniekreacties optreden
zodra de hartslag oploopt. Een eventuele paniekaanval zou zeker leiden tot
het staken van het experiment terwijl de typische sensaties die optreden bij
paniek door Leo gemakkelijk zouden kunnen worden geïnterpreteerd als bewijs
dat zijn hart slecht is. Om dit alles te voorkomen is met de fysiotherapeut
afgesproken dat deze de hartslag van Leo registreert en de
eerste paar keren dat het experiment zal worden opgevoerd maar
weinig zal laten oplopen. Leo kan zo wennen aan wat hij ervaart in zijn lijf.
Voorts wordt door de therapeut nog eens gewezen op de paniekcirkel die in de
therapie is opgesteld; Leo zal deze cirkel en de aantekeningen die hij
daarbij maakte meenemen naar de fysiotherapeut. T:
Stel dat de oorspronkelijke opvatting waar is, hoe zal het experiment dan
verlopen? Geef een zo concreet mogelijke beschrijving, onder andere wat
betreft het eigen gedrag en/of het gedrag van anderen. C:
In dat geval zal de hartslag zeer snel oplopen, mijn hartslag zal zeer
onregelmatig worden, mogelijk met pijn in mijn linkerarm en ik zal me
lichamelijk heel slecht gaan voelen. Als ik stop met fietsen zal ik me nog
zeker een uur slecht blijven voelen. Met slecht bedoel ik duizelig en/of
kortademig en/of wankel op de benen. T:
Stel dat de alternatieve opvatting waar is, hoe zal het experiment dan
verlopen? Geef een zo concreet mogelijke beschrijving, onder andere wat
betreft het eigen gedrag en/of het gedrag van anderen. C:
Dan zal mijn hartslag gaan oplopen en ik zal me na verloop van tijd moe gaan
voelen. Wanneer ik stop met fietsen zal mijn hartslag na een paar minuten
weer normaal worden. Het
experiment wordt uitgevoerd volgens de afspraken. T:
Beschrijf concreet hoe het experiment is verlopen (Wie deed wat? Wat gebeurde
er? Wat gebeurde er juist niet?). C:
Het was erg eng om te doen, maar we begonnen rustig zodat ik eerst wat kon
wennen. Uiteindelijk ging mijn hartslag flink omhoog en had ik het een paar
keer vrij moeilijk om mijn angst onder controle te houden. Ik pakte toen even
mijn aantekeningen over paniek er bij. Uiteindelijk bleek dat mijn hartslag
onder controle bleef en na het stoppen met fietsen voelde ik me binnen een
paar minuten weer prima. T:
Welke conclusies kun je trekken met betrekking tot de geloofwaardigheid van respectievelijk de oorspronkelijke en alternatieve,
realistische opvatting? C:
– Ik heb een slecht hart. Geloofwaardigheid:
65% –
Mijn hart is in goede conditie. Geloofwaardigheid:
35% T:
Wat heb je van het experiment geleerd en wat heb je nog meer nodig om jouw
nieuwe opvatting geloofwaardiger te maken? C:
Mijn hart kon de inspanningen kennelijk goed aan. Wie weet is mijn hart zo
slecht nog niet. Maar ik heb me ook niet heel erg ingespannen. Het is voor
mij nog wel de vraag of mijn hart zware inspanningen aankan. Pas wanneer ik
me echt zwaar inspan en mijn hart kan dat goed aan dan zal ik echt durven geloven dat ik een gezond hart heb. Al moet ik
zeggen dat mijn verstand dat eigenlijk (al) wel weet…. Opmerking:
een angst als die van Leo laat zich in de regel pas via gedragsexperimenten
beïnvloeden nadat in de therapie ‘rationeel’ is vastgesteld dat
alle bewijs wijst in de richting van – in dit geval – een goed
hart. Immers er zal geen cliënt zo ver te krijgen zijn het reële risico te
lopen een hartinfarct te krijgen. Voorts is zeker dat vele
gedragsexperimenten nodig zullen zijn om het geloof in de nieuwe,
realistische gedachten voldoende sterk te maken. |
|
|
|
|
|
|
|